Vlaams Woordenboek logo

Het Vlaams woordenboek


Index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Log in

Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.

Uw gebruikersnaam
Uw geheime paswoord

  • Log in
  • Wees welgekomen | Willekeurig | Top woorden | Recent

    Woorden die beginnen met 's'

    sa sc sd se sg sh si sj sk sl sm sn so sp st su sw sy

    De volgende 1679 termen in onze databank beginnen met 's':

    saai (sui)
    saas
    Sabenien
    sableren
    sacoche
    sacoche, in de ~ zijn
    sacochen
    saf
    safflet
    saffraanpoten
    Saint Joseph
    saint-jardin
    sajetten
    sakkeren
    sakkers
    salaad
    salamander
    salamanderen
    salamicrash
    salawose
    saleure
    salle à manger
    sallewase
    salodder
    salon
    saloncondities
    salontank
    salonvoorwaarden
    saluatie
    salukes
    salut
    samaren
    sambière
    sambrang
    samenaankoop
    samenhorigheidsgevoel
    samentroppelen
    samenwonen, ga ~
    sammelen
    samoerai(saus)
    sanctioneren
    sandwich
    sangel
    sanitair
    sant in eigen land zijn
    sante
    santeboetiek
    santje
    santutte
    SAP
    sap, geen ~ meer in zijn lijf hebben
    sapmobiel
    sapper
    sapper, mobiele ~
    sapperdeboeren
    sapperdelipopetten
    sapperdepitjes
    sapperlipopetten
    sappigaard
    sargie
    sarlowie
    sarma!
    saropendielekesdag, er ne~ van maken
    sarp
    sarrau
    sarzebuize
    sas
    sasie
    sasmeester
    sassa, oude ~
    sauce périodique
    saucisson d'Ardenne
    saus, zijn ~ krijgen, geven
    savatte
    savatten
    save
    savooi
    savooi, lui ~
    saziepikker

    sèwwes
    sékkeplat
    scène
    schaai, zijn ~ inhalen
    schaamtelijk
    schaapsknieën
    schaar
    schaatspiste
    schaûwe
    schab
    schabbe
    schabbernak
    schabelleke
    schabletter
    schabouwelijk
    schacht
    schachtendoop
    schachtin
    schade, stoffelijke ~
    schaffelen
    schaffen
    schalie
    schaliedekker
    schalijk
    schalk, ergens niet ~ aan zijn
    schalotteren
    Schalulleke
    schamateur
    schamoteren
    schampavie
    schampavodder
    schampevie
    schamplavie
    schandaliseren
    schandeliseren
    schannebreken
    schannen
    schanulleke
    schap
    schap, er nevest gelegen hebben in 't ~
    schap, van ’t ~
    schapekop
    schaphaaske
    schappelier
    schapraai
    schar
    schare
    scharen
    scharensliep
    scharesliep
    scharminkel
    scharminkelen
    scharniermagistraat
    scharre
    schart
    scharten
    schatten, licht ~
    schauw(t)e
    schavak
    schavelen
    schavelinge
    schaver
    schaverdienen
    schaverdijnder
    schaverdijnen
    schêês
    scheên, van iem. of iets ~ gelijk de hond van zijne stront
    schee
    scheef
    scheef zitten
    scheefgeladen
    scheefgepoepte lavabo
    scheefpoeper
    scheefslaan
    scheeing
    scheel
    scheen (schenen)
    scheenlap
    scheerborstel
    scheerlings
    scheermachine
    scheet
    scheet, een ~ in een fles
    scheet, een ~ in een netzak
    scheet, verlegen ~
    scheetkliever
    scheetmeet
    scheir
    schejel
    schel
    Scheld
    schelen
    schelft
    schellen
    schelp
    schelp, in zijn ~ kruipen
    schelp, uit zijn ~ komen
    schenterventen
    schep
    schepen
    schepen, eerste ~
    schepencollege
    scheper
    scheppen, ene ~
    schepspon
    schepuit, de grote ~
    scheresliep
    scherlewiep
    scherlings
    schermutselen
    scherper
    scherrelings
    scherremerre
    schet
    schetebees
    schetebeze
    schetelater
    scheten
    scheten, schuim van ~
    schetkont
    scheurmond
    scheurpen
    scheusseneer
    scheut
    scheut, ~ spelen
    scheutel
    scheuteldoek
    scheutelvlees
    scheutig
    scheve lavabo
    scheve schaats
    scheven horst
    schiën
    schie
    schieke
    schier
    schierloos
    schieten, in actie ~
    schieten, propkes ~
    schieterke
    schiethuif
    schietig
    schietkraam
    schietlap
    schietten
    schieveren
    schifting
    schifting voeren
    schijf
    schijfke, zet eens een ~op
    schijfwerpen
    schijn
    schijnheilige
    schijnkind
    schijt, het vliegend ~
    schijte van de mart
    schijter
    schijtezat
    schijthuiske
    schijtkoek
    schijtkut
    schijtpapier
    schikken
    schikken, het loecht ~
    schilderen, staan ~
    schildersborstel
    schillen
    schinken
    schip, 't ~ op zijn
    schip, ze zijn een ~ aan het laden
    schippe
    schippe ofkuschen
    schipperen
    schipperin
    schipperskwartier
    schlesch
    schminkdoos
    schoë
    schobbejak
    schodder
    schodderen
    schoeffelen
    schoelie
    schoelint
    schoempelen
    schoenblink
    schoendoos
    schoenschmink
    schoentjes, in nauwe - zitten
    schoentrekker
    schoep
    schoepen
    schoeperen
    schoeppes
    schoer
    schoere
    schoere, over zijn - kijken
    schoerke, - staan
    schof
    schoffel
    schoffelscheute
    schofferdijnen
    schok, op ~ zijn
    schokken
    schol
    scholier
    scholmbard
    schommelen
    schommelmeid
    schonekes
    schoofzak
    schooier
    schooierfight
    schooljuffra
    schoollopen
    schoolstrijd
    schoon
    schoon nederlands
    schoon ogen, voor zijn of haar ~
    schoon spreken hebben
    schoon van wijd, wijd van schoon
    schoon volk
    schoon weer, vanwaar komt dat ~ ineens
    schoon, dat het niet ~ (meer) is
    schoon, dat is nogal ~
    schoon, het ~ verdiep
    schoon, ~ zitten
    schoonbroer
    schoonder
    schoonheid, in ~ eindigen
    schoonmoeder, (de) ~ spelen
    schoonmoedertoestand
    schoonogen
    schoonspreken
    schoonste, het ~ van de zaak
    schoop
    schop
    schorremôrie
    schorreworretje
    schorsen
    schorte
    schortevullebeuter
    schotelhuis
    schotelvod
    schotelvod, zo slap als een ~
    schots
    schouent
    schouw
    schouwgarniture
    schouwing
    schouwveger
    schoven
    schoverdijnen
    schraal
    schraam
    schrabielen
    schrammoelje
    schramul
    schrank
    schranken
    schranzen
    schraveleir
    schravelen
    schreboele
    schreef, een ~ aan hebben
    schreemen
    schreeuwen
    schreeuwlelijk
    schremen
    schreve
    schribbel
    schrijlings
    schrijne
    schrijven, waar gaan we dat ~
    schrijver
    schrijverke
    schrik hebben
    schrik, een heilige ~ hebben
    schrik, een ~ pakken
    schrikkelijk
    schrikkepiet
    schrikschijter
    schrobber, arme ~
    schroe
    schrok
    schruwel
    schruwelen
    schudden
    schudding
    schuffel
    schuffelen
    schuflet
    schui
    schuif
    schuifaf
    schuifel
    schuifelbout
    schuifelen
    schuifelet
    schuiferling
    schuiferluite
    schuifje, het ~ krijgen
    schuifkaas
    schuim van scheten
    schuimwijn
    schuinover
    schuinsrechtover
    schuirpens
    schuit
    schuite
    schuive
    schuivelen, sjuevele
    schuiver
    schuldhond
    schuldig verzuim
    schulle
    schup
    schup, geen ~ te veel doen
    schup, met de ~ op zijn rug lopen
    schup, zijn ~ afkuisen
    schup, zo zat als een ~
    schuppe twee
    schuppe zot
    schuppen
    schuppes, ermee ~ zijn
    schuppesteel, op een ~zitten
    schuppezot
    schupstoel, op een ~ zitten
    schurdig
    schuren
    schutkring
    schutsel
    schutteldoek
    schuttels
    schuuflette
    schuur, als een ouw ~ in brand staat
    schuurborstel
    schuurder-plamuurder
    schuutje
    schuwe
    sciatique
    scolarisatiegraad
    scoreloos
    scout
    SDF'er
    se
    sebbetrees
    sebiet
    second
    sectorieel
    secundair
    secundair onderwijs
    seenappel
    seffens
    seffes
    segond
    seis
    seks uit het vuistje
    selder
    seldergroef, selder planten in de ~
    selectioneren
    seminarie
    semmel
    semmelaar
    semmelebees
    semmelen
    semmeltrees
    Sen Nikloj
    senezit
    seniorenanimatie
    seniorie
    senologie
    senologisch
    senoloog
    sens unique
    sensibilisatie
    sensibiliseren
    sensibiliseringsactie
    sensibiliseringscampagne
    sepappe
    septemberverklaring
    septische put
    sereen
    seriedoder
    serieus
    seroope
    serre
    serreworg
    sertoe
    servetuten
    serveuse
    service coupé
    serviette
    servitude
    serze
    serzjant
    sesitse
    seske
    seskes
    sette
    seule
    seus
    seut
    seutebees
    seuten
    seuzze
    sewales
    seweles
    sewes
    sgoensdes
    shoe
    shopping
    shopping center
    short
    showen
    showroomen
    si en la
    sicav
    sichten
    siefer, aan zijn ~ hebben
    sies, van zijne ~ vallen
    sietekarre
    sieze
    sifla
    Sigmaplan
    signalisatie
    sigrette
    sijfelen
    sikken
    simmekalote
    simoniseren
    simpel, zo ~ als bonjour
    simpelaar
    simpeler
    sing
    singel
    singelen
    sinjoor
    Sinksen
    Sinksenfoor
    sinkseroos
    Sint-Andrieskruis
    sint-annekenskat
    Sint-Job kent zijn volk
    Sint-Niklaas
    Sint-Niklaas, nog in ~ geloven
    Sinte-Medunkt
    sintemettevuur
    sintmattezomer
    sipke
    sippe
    sire
    sirken
    siroop
    siroopkant
    sirreworrig
    SIS-kaart
    siske
    siskes
    sissepie
    sisser, met een ~ aflopen
    sisser, op een ~ aflopen
    sisser, op een ~ uitdraaien
    sisser, op een ~ uitlopen
    site
    sito presto
    sittepit, ginne ~
    situeren, zich ~
    sivesant
    sizo
    sjaafel
    sjaafelaar
    sjaafelen
    sjaafelzjat
    sjabrang
    sjachelen
    sjae
    sjakeleurn
    sjakosj, in de ~
    sjakosse
    sjakosse, 't is in de ~
    sjambrang
    sjamfoeter
    sjamfoeteraar
    sjampetter
    sjampieter
    sjanj
    sjans
    sjansaar
    sjarel
    sjarel, aan zijne ~ snokken
    sjarelwie
    sjaret
    sjarette
    sjarletang
    sjarpe
    sjasse geven
    sjassen
    sjatten en talloren
    sjatten en taloren
    sjauwel(aar)
    sjauwelen
    sjeffelen
    sjemere
    sjerp
    sjette
    sjette geven
    sjicon
    sjieg
    sjiek
    sjieke
    sjiekentoebak
    sjiekkelitte
    sjierendosser
    sjieterie
    sjietevottekuttele
    sjikke
    sjikkembak
    sjikken
    sjink
    sjinoas
    sjlam
    sjlechter
    sjleiere
    sjloebe
    sjloek
    sjloes
    sjloes (sjloe_s)
    sjlok>sjlökske
    sjlokke (slokken)
    sjmoster
    sjoêë
    sjoe
    sjoeben (sjoebe)
    sjoefte
    sjoeke
    sjoenkelen
    sjoepap
    sjoepkar
    sjoeppen
    sjoeren
    sjok, op ~
    sjokkedeizen
    sjokkelen
    sjokkelpaard
    sjoklaat
    sjokolat
    sjolk
    sjonder
    sjongsmoat
    sjonken
    sjoop
    sjoot
    sjosteit
    sjot
    sjotten
    sjotter
    sjotterkes
    sjouke
    sjouwe
    sjouwelen
    sjpeul
    sjpienzen, spinzen
    sjpinaat
    sjpreuie
    sjpritsen
    sjproak
    sjravelen
    sjravelkärke, ~kerke
    sjroêpkant
    sjroebbe
    sjtevel
    sjtoeke
    sjtrieje, zich ~
    sjtrietsen
    sjtub
    sjup, mit de ~wirke
    sjuumpke trikke
    sjuus, sjus
    sjwans
    sjwerbelke
    skampavie
    skarrekop
    skelmes
    skermik
    skete
    skeutig kijken
    skibotten
    skip
    skippe, z’n ~ afkuusn
    skoeblink
    skoole
    skoolmjèstre
    slaagkans
    slaaklap
    slaan, een babbeltje ~
    slaap, iemand in ~ doen
    slaap, in 't ~
    slaapkleed
    slaapwel
    slaat
    slabakken
    slabberdoekske
    slabberen
    slabotten
    slachten van
    slachter
    slachtofferbejegenaar
    slachtofferbejegening
    slag voor keer
    slag, aan de ~ geweest zijn
    slag, de~
    slag, een ~ in het water
    slag, er ne ~ door slaan
    slag, met een franse ~
    slag, ne ~ aan zijn
    slag, op ~ en stoot
    slag, zich uit de ~ trekken
    slag, zijn ~ thuishalen
    slagbuis
    slagen
    slagen en verwondingen
    slagen in
    slagen, er naast ~
    slagmolen
    slagvenster
    slam
    slameur
    slamiete
    slampamper
    slangtis
    slapcapote
    slapen, op zijn twee oren ~
    slaperke
    slaping
    slapkerel
    slapmutstje
    slaptitude
    slapzak
    slapzwans
    slasj
    slats
    slazwierder
    Slecht-Weer-Vandaag
    slechtgezind
    slechtweergarantie
    sleet
    slef
    sleffen
    sleffer
    sleffers, op zijn ~
    sleike
    slekke
    slekkegang
    slekkestekker
    slekkevet
    slemmekes
    slemper
    slepen
    slepen, uit de brand ~
    sleppe
    sleppedrager
    sleppen, in zijn ~ staan
    slere
    sleren
    slerig
    slet
    sletig
    slets
    slets, trekt op geen ouwe ~
    sletse
    sletsen
    sleunen
    sleutel-op-de-deur
    slibber
    slibberbaan
    slibberdille
    slibberen
    slierbaan
    slieren
    slierte
    slijderbaan
    slijderen
    slijk, geld als ~ verdienen
    slijklap
    slijkvisser
    slijper
    slijsvol
    slikken, kunnen ~
    slikker
    slimbord
    slimmeke
    slimpen
    slinderen
    slingermanege
    slingerpies
    slinkepoot
    slinkeroene
    slip
    slip, slip uit
    slippendrager
    slispapier
    slissen
    Slivenheer(ke)
    slivrouw van sletten
    Slivrouw(ke)
    Slivrouwke Halven Oogst
    sloaplijf
    slodder
    sloeber
    sloeberen
    sloef
    sloef, de grote ~
    sloef, onder de ~ liggen
    sloef, uit zijn ~schieten
    sloekepier
    sloeker
    sloempen
    slokeren
    slommeren
    slons
    slook
    sloor
    sloot zitten
    Slovakije
    sluffer
    slufferen
    sluik
    sluikafval
    sluikblad
    sluikpad
    sluikpers
    sluikstoken
    sluikstokerij
    sluikstort
    sluikstorten
    sluikstorter
    sluikweg
    sluikwerk
    sluikzender
    sluimererwt
    slunse
    slunse geven
    slunsekleren
    slunsepiet
    slunsepuppe
    slunseslap
    slunsevent
    slure
    slutspelle
    slutze
    smaat
    smachtkop
    smadder
    smakelijk
    smaken, naar nog ~
    smakkelen
    smallekes
    smeerbos
    smeerlap
    smeerpeer
    smeert u maar al in!
    smeieren
    smeirlaprie
    smergens
    smete
    smetsen
    smeuggelen
    smeuken
    smeurft
    smeurften
    smeurig
    smier
    smijten, alles dicht ~
    smijten, zich ~
    smikkel
    smilver
    smingelen
    smink
    smirreke
    smirrel
    Smisdom
    Smisdom (scriptie)
    smodderen
    smoefelen
    smoel
    smoelenboek
    smoelentrekker
    smoelpap
    smoelschuif
    smoet
    smoezen
    smogregen
    smokkelbroek
    smoor
    smooralaam
    smoorlam dronken
    smoren
    smoren, een sigaar ~
    smos
    smosdood
    smosjtereer
    smosjteren
    smoske
    smoskieken
    smospier
    smospot
    smosregen
    smossen
    smosteren
    smoulpap
    smoutebol
    smouten
    smoutmolen
    smoutzochte
    smuiken
    smuirft
    smuisteren
    smukregen
    smurf
    smurfenvlaai
    smuster
    smusteren
    snabbel
    snakken
    snakker
    snars
    snebbel
    snebber
    sneeuw, zwarte ~ zien
    sneeuwklas
    sneeuwman
    sneeuwtram
    sneeuwwitje
    sneken
    snel
    snelheid, overdreven ~
    snelkoker
    sneltempo
    snelzeiker
    snep, zo zat als een ~
    snetse
    snetsebelle
    snetsen
    sneukelare
    sneukelen
    sneukelgat
    sneukelgerief
    sneukelware
    sneuken
    sneupen
    sneurzel
    sneus
    sneuve
    sneuveltekst
    sneuvering
    sneuzze
    snijden
    snik
    snipsel
    snipsneeuw
    snipsneeuwen
    snit en naad
    snode
    snoenes
    snoens
    snoeperaar
    snoeperen
    snoeren
    snok
    snokken
    snollen
    snollenbol
    snoodaard
    snosj
    snot(te)keise
    snot; het vliegend ~ krijgen
    snotboebel
    snotbrel
    snotgurg
    snotjoenk
    snotkelper
    snotlekker
    snotneus
    snotpiering
    snotpietje
    snottebel
    snottebrel
    snottekeisen
    snottepetat
    snottepiet
    snotter
    snotvalling
    snotvink
    snotvod
    snuchters
    snuf
    snuffen
    snufferd
    snuik
    snuisteren
    snuitje, in ’t ~ hebben
    snuitserneuze
    snul
    snullin
    snurksken
    snutdoek
    snutten
    snutter
    snutteren
    soapvlaams
    sociale promotie, onderwijs voor ~
    soemel
    soemtets
    soep, tussen de ~ en de patatten
    soepboer
    soepkieken
    soeplip
    soepmixer
    soepsus
    soepvolk
    soesselen
    soetasse
    soewales
    soft
    soie naturelle
    soigneren
    soit
    sojascheut
    sokken, op zijn ~ afkomen
    sol
    soldaat
    soldaatje
    soldatenkoek
    solden
    solderen
    solfège
    solferaan
    sollen
    soloslim
    solverstekske
    sommig
    sommigste
    sommigte
    somtijds
    somwijlen
    sondes
    soort
    sop
    soppe (soppen)
    sorryslet
    sorteerstraatje
    sorteren, afval ~
    sortietje
    sos
    sosis
    sossis
    sossonneke
    sotsen
    sou, gene roste ~ hebben
    souche
    souderen
    souffluur
    soupape
    soutalloore
    soutien
    spa bruis
    spaafsel
    Spaanse tarwe
    spaar
    spaarpot
    spade, zijn ~ reinigen
    spadril
    spanee
    spang
    spanjeetje
    Spanjool
    spannend
    spannerke
    spanplafond
    sparadrap
    sparen
    sparen, aan het ~ zijn
    sparredra
    sparrepop
    spast
    spatten
    spauwen
    spavela
    spaven
    speakerin
    special
    speciale
    specialleke
    speculatie
    speculeren
    speculoos
    speek
    speekbak
    speeker
    speekmedaille
    speelding, -en
    speelkoer
    speelpleinwerking
    speelpot
    speelreis
    speeltijd
    speelvoyage
    speen
    spein
    speize
    spek
    spek, het ~ aan zijn been hebben
    spek, met ~ schieten
    spekbeer
    speken
    speken, op iemand zijn blaak ~
    spekke
    spekkedoze
    spekken
    spel
    spel, opgezet ~
    spelder
    spelen
    spelen, ermee ~
    spelen, in zijn kop ~
    spelleke
    spellement
    spellen, de les ~
    spellewerken
    spelmaker
    spelver
    sperperiode
    sperrebekken
    speten
    speter
    spetsen
    spettelen
    spetter
    spetteren
    spetterpoep
    speurder
    spie
    spiek uit doen
    spieze
    spij
    spijen
    spijs
    spijt, tot ~ van wie het benijdt
    spijtig genoeg
    spijtig voor
    spijtig, het zou maar ~ zijn
    spijts
    spijzen
    spijzen, de kas ~
    spik
    spik, daar heb ik ~ in
    spiksel
    spikske
    spikskesdoos
    spilindex
    spin
    spinde
    spinezze
    spinhoer
    spinnebossel
    spinnegeweef
    spinneke
    spinnekobbe
    spinnekop
    spinnekoppennet
    spinnenet
    spinnewiel
    spinol
    spionkop
    spirke
    spitant
    spits
    spits, aan de ~ staan
    spitsmoos (sjpitsmoos)
    spitstechnologie
    spitsvil
    spitsvillerij
    spleet
    splette
    spletten
    splinster
    spoa
    spoat
    spoed
    spoedkeizersnede
    spoeien, ik zal mijn eigen eens ~
    spoeien, zich ~
    spoelkomme
    spoetnik
    spoetteren
    spokes
    spokken
    spon
    sponsen
    sponshanddoek
    spook
    spoor, op het goede ~ zijn
    spoormaken
    spoose
    sporen
    sporen, breed ~
    sporrewaan
    sporrewaon
    sportelen
    sporthoos
    sportkot
    sportschool
    sportzak
    spotgemakkelijk
    spougen
    spoughen
    spouwen
    spraai
    spraukske
    spreken
    spreken, op de letter ~
    spreken, schoon ~ hebben
    spriejegat
    spriet
    sprieten
    springbonen met pinèskessaas geten hebben
    springer
    springtuig
    springuur
    sprits
    spritsen
    spritser
    sproedel
    spuit
    spuiter
    spullenhulp
    sputje
    spuug en paktouw
    spuugachtig
    sta
    staaje, op mijn ~
    staak
    staal
    staalhard
    staan
    staan, er goed op ~
    staan, met de late ~
    staan, met de nacht ~
    staan, met de vroege ~
    staancaravan
    staander
    staantje
    staartje, aan het ~ bengelen
    staat
    staat, ergens ~ op maken
    staatsblad, Belgisch ~
    staatsbon
    staatsgeschiedenis, er een ~ van maken
    Staatsveiligheid
    stabilisé
    stad, ’t ~
    stadhuis, voor 't ~ trouwen
    stadium
    stadsbeek
    stadskind, iemand ~ laten verklaren
    stadsverhaal
    stadswater
    stafatie
    stafchef
    stafhouder
    stakieren
    stakingsaanzegging
    stakingsgeld
    stakingspiket
    stal, in ne goeie ~ zitten
    stalker
    stamenee
    staminee
    stamineeproat
    stamminé
    stamp
    stampen
    stampendevol
    stampie
    standaardtaal in België
    Standard & Poor's regering
    standje houden met iemand
    standlicht
    stapelhuis
    stappen
    start, van bij de ~
    startpremie
    stasen
    staseventen
    statie
    statie van Schaarbeek
    statie, de ~ staat vol
    statie, veel volk in de ~
    statiefoto
    stationeren
    statutair personeel
    statuut
    statuut, vals ~
    stèb
    stèbbe
    stöpkes, ergens ~ van krijgen
    stechelaar
    stechelen
    steeg
    steeg van afgoan
    steekgat
    steekhelledonker
    steekkar
    steeknagel
    steekpan
    steekvlambeleid
    steekvlampolitiek
    steen
    steendood
    steenezel
    steenezel, zo koppig zijn gelijk ne ~
    steense rat
    steentje
    steenvarken
    steenzweer
    steevast
    steevel
    steggelen
    steir, iets in uw ~ hebben
    steke
    stekebeejer (stekebeier)
    stekeblind
    stekelbak
    stekelbees
    stekeling
    steken, banden ~
    steken, een frietje ~
    steken, een nieuwe tube ~
    steken, een tandje bij ~
    steken, iets op iemand ~
    steken, in de bak ~
    steken, in een nieuw kleedje ~
    steken, zich iets in zijne kop ~
    stekezot
    stekhout
    stekken
    stekken, te ~ hebben
    stekkendoosje
    stekkerdraad
    stekkers
    stekske
    stekske (stekje)
    stekskesdoos
    stekte
    stelen, iets niet gestolen hebben
    stellen
    stellen, het goed ~
    stelplaats
    stemmen
    stemmen, voor de goei ~
    stemmig
    stemminge
    stenen uit de grond vriezen
    stenen, twee ~ doen vechten
    stenke
    ster
    ster, het hoog in zijn ~ hebben
    sterfput
    steriliseerbokaal
    sterlinge
    sterren, tegen de ~ op
    sterrenkijker
    sterrenschijter
    sterven op het kot
    stesselbus
    stesselen
    steup
    stevel
    stevelen
    stevenist
    stichel
    stichelen
    stief
    stiel
    stiel apart
    stielbederver
    stielen, twaalf ~ en dertien ongelukken
    stielkennis
    stielman
    stienkstok
    stiepelzat
    stiepel~
    stierebeuter
    stiggel
    stijde
    stijltang
    stijven burger, ne ~
    stikkapot
    stikkarre
    stikkel
    stikken
    stikkenelleke
    stikker
    stikmachine
    stikmeshin
    stikoverik
    stil
    stil, het is ~ waar het nooit waait
    stillekes
    stinken naar het geld
    stinken, van het geld ~
    stinker, bedorven ~
    stinkerke
    stinkpatee
    stinkputse
    stinkstok
    stirten, hem bezighouden mé ~ van muizen
    stjeit
    stoantje
    stock
    stockbeheer
    stockeren
    stoeberen
    stoef, eigen ~ stinkt
    stoef, gene ~ zijn
    stoefen
    stoefer
    stoeferke
    stoefkont
    stoefpoker spelen
    stoel, geeft die boer een ~
    stoelgeld
    stoeltjeszetster
    stoem staan
    stoemmerik
    stoemp
    stoempen
    stoempen, op ~ trekken
    stoemper
    stoemperke
    stoempke
    stoeproken
    stoet, 1 mei-~
    stoffatie
    stoffelijke schade
    stoffrak
    stofslunse
    stofvod
    stokken in de wielen steken
    stokmossel
    stoleseteren
    stollesteren
    stom
    stommekloot
    stommelings
    stompekes, voor de ~
    stongske
    stoof
    stoof,zo heet als een ~
    stoofbuis
    stoofhout
    stoofhout, er ~ van maken
    stoofkarbonade
    stoofoutlangde
    stoofvlees
    stoofvleessaus
    stoop
    stoopke
    stoor
    stoot
    stoot, blonde ~
    stootkar
    stopachtig
    stoppelen
    stoppelweeuwe
    stoppen, iets in de koelkast ~
    stoppentrekker
    stoppezot, ergens van ~ zijn
    stopsel
    storen
    stort
    stortbad
    stortterrein
    stoten uithalen
    stoten, tegen de borst ~
    stouwen
    stove
    stoverie
    stoverij
    straat
    straat, van 't ~ zijn of geraken
    straatengel
    straatje, doodlopend ~
    straatje, een ~ zonder end
    straatjesvolk
    straatkeerder
    straf
    straf, in ~
    strafelen
    strafhuis
    strafstudie
    strafuitvoeringsbeleid
    strameen
    strameneschijter
    stramijn
    strandjanet
    strange
    strank
    strant
    stratier
    straton
    stravats
    stravel
    streekbier
    streep
    streep, er een ~ onder trekken
    streep, uw ~ hebben
    strek
    streke zin
    strekelen
    streken~
    streling
    stremmaan
    streuln
    streus
    strieën
    striepe
    striepen
    strijden tegen de dood op
    strijden voor de dood
    strijdkamp
    strijk
    strijk gaan
    strijkatelier
    strijken, op zijn frans ~
    strikijzer
    strikken
    strikwerk
    stripteaseuse
    strits
    stritsen
    stritser
    stro, op ~ sterven
    stroatendwil
    stroballote
    stroefen
    stroek
    stroelen
    stroengske
    stroenk
    stroeskop
    stroiken
    stromijne
    strompelen
    stront , hij heeft hier zijn laatste ~gescheten
    stront aan de haak, er hangt ~
    stront en darmen, hij is niks dan ~
    stront en darmen, niks meer over dan ~
    stront in pakskes
    stront rieken
    stront, wie heeft u gescheten
    stronte
    stronten, ergens geen dikke ~ van kunnen leggen
    strontnat
    strontridder
    strontverliefd
    strontweer
    strontzaak
    strontzak
    strooibriefje
    strooie benen hebben
    strooien dakje, strooien dakske
    strooike
    strooikentrek doen
    strooiweide
    stroomcabine
    stroomkast
    stroompanne
    stroopkant
    stroot
    strootwringer
    strop
    strop, in 't ~ zitten
    stropen, een kei kan je niet ~
    stropetie
    stropzitten
    strot, iemand zijn ~ toenijpen
    strufel
    struffel
    struikelsteen
    strunkelen
    strussel
    stuëren, zich ~
    stubben
    student
    studentenkaart
    studentenkot
    studentin
    studie
    studiedienst
    studiejaar
    studiemeester
    stuike, op z’n ~
    stuiken
    stuiken, in elkaar ~
    stuiker
    stuiks
    stuipen
    stuk
    stuk, een ~ in zijne frak hebben
    stuk, er zit nog een ~ in
    stuk, op het ~ van
    stuk, zeker van zijn ~ zijn
    stukken van mensen
    stukken van mensen, da kost ~
    stukken, te ~ vaneen
    sturrel
    sturten
    stute
    stutte
    stutte, ne ~ met smutte
    stuttedoze
    stutten
    stuur
    stuutje
    stylo
    subbedees
    subbedutte
    subiet
    subiet, ik zal u ~ eens
    subsaharaans
    subsidiepoepers
    sucken
    sucker
    suiker hèn
    suikerbakker
    suikerboon
    suikerij
    suikerklitsen
    suikertje
    suite
    sukkel, op de ~ zijn
    sukkelen
    sukkelen, er niet voor kunnen ~
    sukkelseks
    sukkelstraatje
    sulfer
    sulferblomme
    sulle
    sun
    superette
    superpersoon
    suppo
    suppositoire
    surfel
    surplacen
    surrewordig
    surtout
    sus, van zijne ~ draaien
    sus, van zijne ~ vallen
    suske
    suskewiet
    sussemien
    suur
    swales
    swanjeren
    swanselen
    swappen
    swatelaar
    sweerskanten
    sweerskanten, sweeskanten
    swees
    swengst
    swengst dat
    swens
    swerdes
    swiessel
    swiesselen
    swieter
    swijl
    swijle
    swijlens
    swingen
    swingschoetje
    swinst
    swiss (swies, suisse)
    switchen, aan~ en uit~
    syndic
    syndicaal
    syndicaat
    syndicale premie
    syndicalist
    syndicus
    syndikeren
    systeem
    systeem d
    systeem, op iemands ~ werken
    systematisch

    Tip: Punthoofd.be. Het heetste nieuws in de Vlaamse media.

    Het Vlaams woordenboek  |  Copyright © 2007-2012  |  Concept en realisatie door Anthony Liekens  |  Algemene Voorwaarden