Vlaams Woordenboek logo

Het Vlaams woordenboek


Index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Log in

Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.

Uw gebruikersnaam
Uw geheime paswoord

  • Log in
  • Wees welgekomen | Willekeurig | Top woorden | Recent

    pee

    De beschrijving van deze term werd 26 keer aangepast.

    Versie 26

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < Frans père < Latijn pater
    1. Eigenlijk: vader.
    2. Algemeeen: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze betekenis soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    zie ook verzamellemma mensen

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door nthn op 19 Jan 2020 17:34
    1 reactie(s)

    Versie 25

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < Frans père < Latijn pater
    1. Eigenlijk: vader.
    2. Algemeeen: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze betekenis soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 29 Mar 2019 18:41
    1 reactie(s)

    Versie 24

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < Frans père < Latijn pater
    1. Eigenlijk: vader.
    2. Algemeeen: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze betekenis soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 29 Mar 2019 18:38
    1 reactie(s)

    Versie 23

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    > andere betekenis van pee

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 29 Mar 2019 18:33
    1 reactie(s)

    Versie 22

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 12 Jul 2018 18:24
    1 reactie(s)

    Versie 21

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje
    3) vader (een beetje neerbuigend)

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    3) Onze pee is met ons mee naar de met.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 12 Jul 2018 00:58
    1 reactie(s)

    Versie 20

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) algemeen voor man, kerel
    2) oudere kerel, peetje

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    2) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 11 Jul 2018 22:03
    1 reactie(s)

    Versie 19

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel

    Woordenboek der Nederlandsche Taal: pee: In Zuid-Nederland.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 27 Nov 2017 14:01
    1 reactie(s)

    Versie 18

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    < frans père, latijn pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 27 Apr 2017 14:56
    1 reactie(s)

    Versie 17

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 Aug 2016 14:51
    1 reactie(s)

    Versie 16

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 Aug 2016 14:50
    1 reactie(s)

    Versie 15

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 Aug 2016 14:49
    1 reactie(s)

    Versie 14

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 Aug 2016 14:49
    1 reactie(s)

    Versie 13

    pee
    (de ~ (m.), ~ën, ~s)

    1) oudere kerel, peetje
    2) algemeen voor man, kerel
    3) vader

    WNT: pee: In Z.-Nederl.
    > fr. père, lat. pater
    1. Eig.: vader.
    2. Alg.: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inz.: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    1) Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    2) Is de Charel hie gewest?
    Ja, die pee was op tijd hie, mo is al terug eweg zalla. Veuwa, hed m dringend nodig?

    Maar allee, de Jean dat is toch nen toffe pee!

    3) Onze pee zit in ’t peekeshuis nu.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 17 Aug 2016 14:47
    1 reactie(s)

    Versie 12

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel, peetje

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 05 Jul 2016 19:44
    1 reactie(s)

    Versie 11

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel, peetje, vader

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 06 Jan 2013 07:06
    1 reactie(s)

    Versie 10

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel, peetje

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 04 Dec 2012 01:42
    1 reactie(s)

    Versie 9

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 07 May 2012 06:24
    1 reactie(s)

    Versie 8

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 07 May 2012 06:23
    1 reactie(s)

    Versie 7

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 22 Jun 2011 15:46
    1 reactie(s)

    Versie 6

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    WNT: Modern lemma: pee
    znw. m., mv. -ën. In Z.-Nederl. Opgevat als verkorting van peer (fr. père, lat. pater), doch in sommige toepassingen wellicht een ander woord.
    1. Eigenlijk. Vader.
    2. In ’t algemeen voor: een man, een kerel, dikwijls ook in ongunstigen zin gebruikt. In deze bet. soms opgevat als eene afkorting van Peter of Petrus.
    “Een rare pee” De Bo (1873).
    3. Inzonderheid: een oud man, meestal met het bijdenkbeeld van afgeleefdheid: een versleten mensch. Gewoonlijk in den verkl. peetje (oudtijds petjen, pitjen) en peeken. Ook in tegenstelling met metje, meeken.

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 22 Jun 2011 15:43
    1 reactie(s)

    Versie 5

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 15 Sep 2009 14:54
    1 reactie(s)

    Versie 4

    pee
    (de ~ (v.), ~ën)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 27 Mar 2009 15:09
    1 reactie(s)

    Versie 3

    pee
    (de ~ (m.), ~ën)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 09 Mar 2008 22:51
    1 reactie(s)

    Versie 2

    pee
    (de ~ (m.), ?)

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 03 Feb 2008 11:15
    1 reactie(s)

    Versie 1

    pee

    oudere kerel

    Dien ouwe pee heeft veel grappige verhalen over zijn jeugd.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door aliekens op 17 Sep 2007 15:58
    1 reactie(s)

    Kies je favoriete woord
    Voor de week van het Nederlands zoeken we jullie favoriete woorden uit het Vlaams Woordenboek. Vul onze enquête hier in.

    Het Vlaams woordenboek  |  Concept en realisatie door Anthony Liekens

    Creative Commons License

    Het Vlaams Woordenboek by Anthony Liekens is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International License.