Vlaams Woordenboek logo

Het Vlaams woordenboek


Index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Log in

Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.

Uw gebruikersnaam
Uw geheime paswoord

  • Log in
  • Wees welgekomen | Willekeurig | Top woorden | Recent

    stek

    De beschrijving van deze term werd 10 keer aangepast.

    Versie 10

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    Van Dale 2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het Middelnederlands bekende en nog thans in Zuid-Nederlands gewone betekenis: Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen: dun stokje, staak, stekkebenen, zeer mager mensch …

    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijne stek zijn, van zijne stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, Corn.-Vervliet (1899).

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 06 May 2020 01:37
    0 reactie(s)

    Versie 9

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het Middelnederlands bekende en nog thans in Zuid-Nederlands gewone betekenis: Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen: dun stokje, staak, stekkebenen, zeer mager mensch …

    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijne stek zijn, van zijne stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, Corn.-Vervliet (1899).

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door nthn op 06 May 2020 01:28
    0 reactie(s)

    Versie 8

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het Middelnederlands bekende en nog thans in Zuid-Nederlands gewone betekenis: Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen: dun stokje, staak, stekkebenen, zeer mager mensch …

    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken, van zijne stek zijn, van zijne stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, Corn.-Vervliet (1899).

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door nthn op 06 May 2020 01:27
    0 reactie(s)

    Versie 7

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het Middelnederlands bekende en nog thans in Zuid-Nederlands gewone betekenis: Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen: dun stokje, staak, stekkebenen, zeer mager mensch …

    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken,
    van zijne stek zijn, van zijne stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, Corn.-Vervliet (1899).

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door nthn op 06 May 2020 01:27
    0 reactie(s)

    Versie 6

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het Middelnederlands bekende en nog thans in Zuid-Nederlands gewone betekenis: Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen: dun stokje, staak, stekkebenen, zeer mager mensch …

    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken,
    van zijne(n) stek zijn, van zijne(n) stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, Corn.-Vervliet (1899).

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door nthn op 06 May 2020 01:26
    0 reactie(s)

    Versie 5

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het Middelnederlands bekende en nog thans in Zuid-Nederlands gewone betekenis: Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen: dun stokje, staak, stekkebenen, zeer mager mensch …

    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken,
    van zijne(n) stek zijn, van zijne(n) stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, Corn.-Vervliet (1899).

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 30 Apr 2017 01:13
    0 reactie(s)

    Versie 4

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het mnl. bekende en nog thans in Z.-Nederl. gewone bet. Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen:
    - Stok, dun stokje: in ’t algemeen in alle opvattingen.
    - Staak, tot steun van gewassen. .
    - De paal bij het kolven.
    - Beenen: Stekkebeen, spillebeen, lang dun been.
    - Zeer mager mensch
    - De stok van een boek kaarten, de overblijvende kaarten, nadat ieder speler de zijne gekregen heeft.
    - Stok in de bet.: dwangmiddel voor gevangenen, gevangenis.
    - Pin, nagel, spie: Bij schoenmakers in Z.-Nederl. Puntige houten nagel zonder kop, dien men in de hielen en zolen der schoenen slaat
    - Pin, nagel, spie: Bij metselaars in Z.-Nederl. ”Een priem dien zij in den muur vestigen om er den draad aan te spannen, langs welken zij hunne steenen leggen”
    - Dol, draaibare roerpen.
    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken,
    van zijne(n) stek zijn, van zijne(n) stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, corn.-vervl. (WNT)

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 23 Nov 2014 11:32
    0 reactie(s)

    Versie 3

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout, sjtekske
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het mnl. bekende en nog thans in Z.-Nederl. gewone bet. Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen:
    - Stok, dun stokje: in ’t algemeen in alle opvattingen.
    - Staak, tot steun van gewassen. .
    - De paal bij het kolven.
    - Staak
    - beenen: Stekkebeen, spillebeen, lang dun been.
    - zeer mager mensch
    - De stok van een boek kaarten, de overblijvende kaarten, nadat ieder speler de zijne gekregen heeft.
    - Stok in de bet.: dwangmiddel voor gevangenen, gevangenis.
    - Pin, nagel, spie: Bij schoenmakers in Z.-Nederl. Puntige houten nagel zonder kop, dien men in de hielen en zolen der schoenen slaat
    - Pin, nagel, spie: Bij metselaars in Z.-Nederl. ”Een priem dien zij in den muur vestigen om er den draad aan te spannen, langs welken zij hunne steenen leggen”
    - Dol, draaibare roerpen.
    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken,
    van zijne(n) stek zijn, van zijne(n) stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, corn.-vervl. (WNT)

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 23 Nov 2014 11:30
    0 reactie(s)

    Versie 2

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het mnl. bekende en nog thans in Z.-Nederl. gewone bet. Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen:
    - Stok, dun stokje: in ’t algemeen in alle opvattingen.
    - Staak, tot steun van gewassen. .
    - De paal bij het kolven.
    - Staak
    - beenen: Stekkebeen, spillebeen, lang dun been.
    - zeer mager mensch
    - De stok van een boek kaarten, de overblijvende kaarten, nadat ieder speler de zijne gekregen heeft.
    - Stok in de bet.: dwangmiddel voor gevangenen, gevangenis.
    - Pin, nagel, spie: Bij schoenmakers in Z.-Nederl. Puntige houten nagel zonder kop, dien men in de hielen en zolen der schoenen slaat
    - Pin, nagel, spie: Bij metselaars in Z.-Nederl. ”Een priem dien zij in den muur vestigen om er den draad aan te spannen, langs welken zij hunne steenen leggen”
    - Dol, draaibare roerpen.
    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken,
    van zijne(n) stek zijn, van zijne(n) stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, corn.-vervl. (WNT)

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafra, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 22 Nov 2014 13:43
    0 reactie(s)

    Versie 1

    stek
    (de ~ (m.), ~ken)

    1) stok, stokje, zie ook stekske, stekhout
    2) been
    3) mager persoon

    VD2014 online: gewestelijk

    WNT: In de oorspronkelijke, reeds in het mnl. bekende en nog thans in Z.-Nederl. gewone bet. Stok of stokje. In zeer verschillende opvattingen:
    - Stok, dun stokje: in ’t algemeen in alle opvattingen.
    - Staak, tot steun van gewassen. .
    - De paal bij het kolven.
    - Staak
    - beenen: Stekkebeen, spillebeen, lang dun been.
    - zeer mager mensch
    - De stok van een boek kaarten, de overblijvende kaarten, nadat ieder speler de zijne gekregen heeft.
    - Stok in de bet.: dwangmiddel voor gevangenen, gevangenis.
    - Pin, nagel, spie: Bij schoenmakers in Z.-Nederl. Puntige houten nagel zonder kop, dien men in de hielen en zolen der schoenen slaat
    - Pin, nagel, spie: Bij metselaars in Z.-Nederl. ”Een priem dien zij in den muur vestigen om er den draad aan te spannen, langs welken zij hunne steenen leggen”
    - Dol, draaibare roerpen.
    - in zegswijzen: stek, van zijne ~ vallen, van zijn stek raken,
    van zijne(n) stek zijn, van zijne(n) stek geraken, van zijn stekken zijn

    1) De hond speelt met ne stek.
    Ze raapt wat stekken uit de doos om de stoof aan te maken.
    Dat stekhout moet eerst drogen voor het in de stoof kan.

    2) Zij is een grote en heeft lange stekken.
    Hij dansten op zijn stekkebeenen, corn.-vervl. (WNT)

    3) Amai, dat is ne magere stek. Die komt percies van Biafra (biafre, van ~ komen).

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 22 Nov 2014 13:42
    0 reactie(s)

    Kies je favoriete woord
    Voor de week van het Nederlands zoeken we jullie favoriete woorden uit het Vlaams Woordenboek. Vul onze enquête hier in.

    Het Vlaams woordenboek  |  Concept en realisatie door Anthony Liekens

    Creative Commons License

    Het Vlaams Woordenboek by Anthony Liekens is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International License.