Vlaams Woordenboek logo

Het Vlaams woordenboek


Index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Log in

Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.

Uw gebruikersnaam
Uw geheime paswoord

  • Log in
  • Wees welgekomen | Willekeurig | Top woorden | Recent

    plekken

    De beschrijving van deze term werd 9 keer aangepast.

    Versie 9

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. stucwerk doen, stuken, plaasteren, beplaasteren
    2. kleven, plakken
    3. bevlekken
    4. in bepaalde stukken verdelen
    5. kleverig zijn

    Woordenboek der Nederlandsche Taal:
    1. Met pleister of leem besmeren.
    2. Met een kleefstof aan of op iets bevestigen, vastkleven, plakken.
    3. Plekken of vlekken maken of krijgen, besmeuren. Daarnaast ook Plakken.
    4. Van grond. In plekken verdeelen, in bepaalde stukken deelen. Verouderd. (in de Kempen nog in gebruik)
    5. Kleven, kleverig zijn. Gewestelijk, b.v. in het Haspengouw, Kempen

    1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.
    “Met calck plecken”, Plantijn (1573).

    2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.
    “Tegen den wandt plecken”, Plantijn (1573)

    3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.
    “Muren plekken als zij vochtig worden”, De Bo (1873)

    4. Het kerkhof is in verschillende plekken verdeeld. Elke overledene heeft zijn eigen plek.

    5. Pas op! De sjambrangs zijn pas geschilderd, De verf plekt nog.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door de Bon op 26 Nov 2017 13:02
    5 reactie(s)

    Versie 8

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. stucwerk doen, stuken, plaasteren, beplaasteren
    2. kleven, plakken
    3. bevlekken
    4. in bepaalde stukken verdelen
    5. kleverig zijn

    WNT:
    1. Met pleister of leem besmeren.
    2. Met een kleefstof aan of op iets bevestigen, vastkleven, plakken.
    3. Plekken of vlekken maken of krijgen, besmeuren. Daarnaast ook Plakken.
    4. Van grond. In plekken verdeelen, in bepaalde stukken deelen. Verouderd. (in de Kempen nog in gebruik)
    5. Kleven, kleverig zijn. Gewestelijk, b.v. in het Haspengouw, Kempen

    1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.
    “Met calck plecken”, Plantijn (1573).

    2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.
    “Tegen den wandt plecken”, Plantijn (1573)

    3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.
    “Muren plekken als zij vochtig worden”, De Bo (1873)

    4. Het kerkhof is in verschillende plekken verdeeld. Elke overledene heeft zijn eigen plek.

    5. Pas op! De sjambrangs zijn pas geschilderd, De verf plekt nog.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door de Bon op 03 Apr 2017 14:48
    5 reactie(s)

    Versie 7

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. stucwerk doen, stuken, plaasteren, beplaasteren
    2. kleven, plakken
    3. bevlekken
    4. in bepaalde stukken verdelen
    5. kleverig zijn

    WNT:
    1. Met pleister of leem besmeren.
    2. Met een kleefstof aan of op iets bevestigen, vastkleven, plakken.
    3. Plekken of vlekken maken of krijgen, besmeuren. Daarnaast ook Plakken.
    4. Van grond. In plekken verdeelen, in bepaalde stukken deelen. Verouderd. (in de Kempen nog in gebruik)
    5. Kleven, kleverig zijn. Gewestelijk, b.v. in het Haspengouw, Kempen

    1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.
    Met calck plecken, plant. (1573).

    2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.
    Tegen den wandt plecken, plant (1573)

    3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.
    Muren plekken als zij vochtig worden, de bo (1873)

    4. Het kerkhof is in verschillende plekken verdeeld. Elke overledene heeft zijn eigen plek.

    5. Pas op! De sjambrangs zijn pas geschilderd, De verf plekt nog.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door fansy op 23 Nov 2014 11:45
    5 reactie(s)

    Versie 6

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. stucwerk doen, stuken, plaasteren, beplaasteren
    2. kleven, plakken
    3. bevlekken
    4. in bepaalde stukken verdelen
    5. kleverig zijn

    WNT:
    1. Met pleister of leem besmeren.
    2. Met een kleefstof aan of op iets bevestigen, vastkleven, plakken.
    3. Plekken of vlekken maken of krijgen, besmeuren. Daarnaast ook Plakken.
    4. Van grond. In plekken verdeelen, in bepaalde stukken deelen. Verouderd. (in de Kempen nog in gebruik)
    5. Kleven, kleverig zijn. Gewestelijk, b.v. in het Haspengouw, Kempen

    1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.
    Met calck plecken, plant. (1573).

    2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.
    Tegen den wandt plecken, plant (1573)

    3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.
    Muren plekken als zij vochtig worden, de bo (1873)

    4. Het kerkhof is in verschillende plekken verdeeld. Elke overledene heeft zijn eigen plek.

    5. Pas op! De sjambrangs zijn pas geschilderd, De verf plekt nog.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door fansy op 21 Nov 2014 19:24
    5 reactie(s)

    Versie 5

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. stucwerk doen
    2. kleven, plakken
    3. bevlekken
    4. in bepaalde stukken verdelen
    5. kleverig zijn

    WNT:
    1. Met pleister of leem besmeren.
    2. Met een kleefstof aan of op iets bevestigen, vastkleven, plakken.
    3. Plekken of vlekken maken of krijgen, besmeuren. Daarnaast ook Plakken.
    4. Van grond. In plekken verdeelen, in bepaalde stukken deelen. Verouderd. (in de Kempen nog in gebruik)
    5. Kleven, kleverig zijn. Gewestelijk, b.v. in het Haspengouw, Kempen

    1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.
    Met calck plecken, plant. (1573).

    2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.
    Tegen den wandt plecken, plant (1573)

    3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.
    Muren plekken als zij vochtig worden, de bo (1873)

    4. Het kerkhof is in verschillende plekken verdeeld. Elke overledene heeft zijn eigen plek.

    5. Pas op! De sjambrangs zijn pas geschilderd, De verf plekt nog.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door fansy op 27 Sep 2014 03:58
    5 reactie(s)

    Versie 4

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. stucwerk doen
    2. kleven, plakken
    3. bevlekken

    1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.

    2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.

    3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door fansy op 04 Dec 2012 16:49
    5 reactie(s)

    Versie 3

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. stucwerk doen
    2. kleven, plakken
    3. bevlekken

    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.

    1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.

    2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.

    3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door fansy op 04 Dec 2012 16:49
    5 reactie(s)

    Versie 2

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. plakken, in de betekenins van iets zoet dat plakt
    2. stucwerk doen
    3. kleven
    4. bevlekken

    1. Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.

    2. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.

    3. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.

    4. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door fansy op 04 Dec 2012 16:47
    5 reactie(s)

    Versie 1

    plekken
    (ww., plekte, geplekt)

    1. plakken, in de betekenins van iets zoet dat plakt
    2. stucwerk doen
    3. kleven

    1. Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.

    2. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.

    3. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.

    Regio Antwerpse Kempen
    Bewerking door fansy op 04 Dec 2012 16:43
    5 reactie(s)

    Kies je favoriete woord
    Voor de week van het Nederlands zoeken we jullie favoriete woorden uit het Vlaams Woordenboek. Vul onze enquĂȘte hier in.

    Het Vlaams woordenboek  |  Concept en realisatie door Anthony Liekens

    Creative Commons License

    Het Vlaams Woordenboek by Anthony Liekens is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International License.