Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.
alteratie, paniekerigheid
Hij had da accident van dichtbij gezien en stond te daveren op zijn benen van ‘alterase’.
Meestal mannelijk: ‘de snoodaard’. Vriendelijke manier om aan te duiden dat iemand ‘snode’ plannen heeft. Snode plannen zijn plannen die ondermijnend werken. Een snoodaard is dus iemand met ‘ondermijnende’ plannen, maar wel al glimlachend gezegd.
In de middeleeuwen ‘snoodaert’
V.D.: (verouderd) slecht mens
In het Antwerps:
“Ha, gaai snoodaard, ik doorsteeck aa me maainen dolk”.
In het West-Vlaams:
“Ha, gine snooedaert, eck steke youn doed me minen dolk”.
overgeven, onpasselijk worden, kotsen
ook in Antw.
(Hageland) geubelen
Van Dale 2OO5: gobbelen
onovergank. werkw.; gobbelde; h. gegobbeld
klanknabootsende vorming
(gewestelijk)
1. gulpen, gutsen
2. braken, overgeven
Na dat zwaar pakske friet moest ze geubbelen.
Iets verkeerd gegeten, ik heb moeten geubelen. (Hageland)
van de nodige geldmiddelen voorzien, stijven, spekken
Zie maar dat ge goed gespijsd zijt als ge met de kinderen naar de kermis gaat.
De kas spijzen.
Nieuwe versie!
Er is een nieuwe versie van het Vlaams Woordenboek online. Mocht je problemen ondervinden, gelieve deze te melden op onze
GitHub.