Definitie

zift, zeef, vergiet

Woordenboek der Nederlandsche Taal: Zij: van zijen (zijgen = sijpelen, filtreren)
< Middelnederlands: sie.
Verouderd, maar nog gewestelijk. In dialecten nog frequent voorkomend in niet gediftongeerde vorm.

  • "Een houten zij, gatenplateel" Schuermans (1865-1870)

zie ook: zijg, zijbaar, zoajgboar, zaj
synoniemen uit verschillende regio's: trizee, stramijn, verzijp, temst

Colander (PSF)

Voorbeelden

Hou de zei met de druiven maar onder de kraan om ze af te spoelen.

Toegevoegd door suzanne - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 20 Jun 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025