broes

het/de ~ (m.), geen mv.
Definitie

Status:Onbekend

schuim, meestal op de mond of van gekookte of bedorven vloeistoffen
zie ook: broem, brom

ook in Antwerpen 'broes', maar daar is het woord mannelijk

Herenthout: proes (niet te verwarren met proes als poepgelei)

Woordenboek der Nederlandsche Taal: Broes
In verschillende gewesten: Vlaanderen, Antwerpen, Limburg, Overijsel, Groningen, en ook wel in Holland
bekend voor: Schuim, meestal dat op den mond van razende menschen of dieren, doch ook wel dat op ”verschgetond” bier, soep en andere (gekookte) vloeibare spijzen of op stilstaand water (Schuerm. (1865-1870); Cornelissen;
In denzelfden zin ook broesem of brösem (Overijsel, Groningen, West-Vlaanderen: Molema).

Voorbeelden

"Op sommige stilstaande waters leet er 'ne vuilen broes." Cornelissen 1899

Het broes stond op zijn lippen, zo colèrig was hij.

Het broes op de soep leeft en het broes in de gracht stinkt.

Houd de gelei goed in 't oog en schep op tijd de proes eraf.

Vers kieken moet ge eerst goe wassen voor dat ge er bouillon van maakt, anders krijgt ge vieze proes op de soep.

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 21 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025