Definitie

Status:Onbekend

schuim

  1. op vloeistoffen
  2. op de mond van razende mensen of dieren

zie ook: brom, broes, broesem

Woordenboek der Nederlandsche Taal:
— oudtijds ook BREM en, gewestelijk nog, BROEM
— In de prov. Antwerpen is broem, brom ook, als vr. woord, bekend voor: bekaamsel, laag schimmel op bier, wijn enz. (Cornelissen).
vb. Den broem van de soep afscheppen, Cornelissen.

Voorbeelden
  1. Als ge klare bouillon wilt, is het het beste dat ge de broem er geregeld afschept.

Het broem van de gesmolten suiker op de ingekookte vruchten afschuimen, is goed om een heldere gelei te bekomen.

Er ligt heel wat broem op die stinkende gracht.

  1. Oei, maken dat we wegkomen want er komt al broem op dien hond zijn bakkes te staan.

Omdat de ademhaling bij epilepsie patiënten stokt door een kramp, wordt de patiënt eerst rood en daarna blauw. Dan volgt een blazende ademhaling met broem op de mond.

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 26 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025