voyage, op ~ gaan uitdr.
van de ene bestemming naar de andere gaan
ook: rondvoyageren
zie ook: bratsen,
trot, op ~ zijn,
schok, op ~ zijn,
[radaille,...
van de ene bestemming naar de andere gaan
ook: rondvoyageren
zie ook: bratsen,
trot, op ~ zijn,
schok, op ~ zijn,
[radaille,...