smeiren

smeirde, gesmeird
Definitie

Status:Onbekend

  1. smeren
  2. lekker eten, zich te goed doen. zie smeir

In het Waasland en in de Kempen.

  1. smeiren, het roken van marihuana (Oost-Vlaanderen)
  2. er vanonder muizen, hem smeiren, het afsmeiren, het afbollen ('m smeren', ervandoor gaan is SN)

uitspraak met zware e

Voorbeelden
  1. Mijne auto heb ik laten smeiren en nu smeir ik mijn boke met goeiboter en choco.

  2. [Toekomend]e zaterdag hebben we teerfeest van de fanfare en dan gaan we er eens goed van smeiren.

  3. Smeiren: Jovi vroeg of ik een joint wou smeiren maar ik zei neen, omdat ik tegen drugs ben.

  4. Ze is hem gesmeird met heel den inboedel en de kinderen.

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 22 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 10 Feb 2026