Definitie

Status:Onbekend

verkeerd kopen, zich vergissen bij het kopen

ook wederkerig

Algemene Nederlandse Spraakkunst:
Het voorvoegsel, of prefix, mis- met de betekenis ‘verkeerd, niet goed, niet’ vinden we onder meer in de volgende werkwoorden: misbruiken, misdoen, mishandelen, misleiden, mismaken, misstaan, misvormen, (zich) misdragen, (zich) misrekenen, misgunnen, miskennen, mislukken
Het procedé is niet productief, behalve in Belgisch Nederlands (vooral voor het vormen van wederkerende werkwoorden). Voorbeelden zijn: misgeven, misleggen, misschatten, mispeuteren; (zich) miskopen, (zich) mislopen, (zich) mispakken, (zich) misrijden, (zich) misschrijven, (zich) misspreken (misspreken, zich ~)

Voorbeelden

Er zijn veel particulieren die zich miskopen, in het verleden heeft dat zichzelf opgelost omdat de huizen snel in waarde stegen. (juridischforum.be)

Het ergste wat me zou kunnen overkomen, is dat een klant het gevoel heeft dat hij zich miskocht heeft. (nieuwsblad.be)

Tien jaar hebben we gewacht bij onze eerste vijgenboom, omdat wij hem niet wilden opjagen, tot iemand er ons op wees dat we ons miskocht hadden. (standaard.be)

We miskochten niet. Alleen moeten we iets meer geduld hebben. (knack.be)

Toegevoegd door Georges Grootjans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 19 Dec 2023 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025