Definitie

Status:Onbekend

afsnijden, afknippen, afscheren, plukken, afstoffen, (bomen) vellen

Van Dale 2015 online: BE spreektaal voor maaien

zie ook: gras afdoen, afrijden, eikelenboom, af, af zijn

Voorbeelden

Zijn vrouw herkende hem bijna niet meer toen hij zijnen baard had afgedaan.

Ik heb de laatste keer de haag nog eens afgedaan, de volgende keer zal in de volgende lente zijn.

Hij had heel het grasveld afgedaan met een duwerke. 's Avonds was hij poempaf.

Eind september doen we altijd de peren af.

Morgen het stof afdoen en dan met nat opnemen; dan is het weeral proper in huis.

andere betekenis van afdoen

Toegevoegd door Georges Grootjans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 29 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025