Definitie

Status:Onbekend

schoon, net, netjes

Belgisch-Nederlands volgens het RBBN

Van Dale 2008: proper
1 goed verzorgd
2 schoon
3 (in België; informeel) (van moppen) niet schuin, ondubbelzinnig

Van Dale 2017 online:
1 goed ver­zorgd, keu­rig, fraai
2 BE; spreek­taal goed schoon
= zin­de­lijk (1), rein
•er pro­per uit­zien
•pro­per ge­kleed zijn
•met pro­pe­re han­den
•een pro­pe­re zak­doek
3 BE; spreek­taal on­dub­bel­zin­nig, niet schuin
•een pro­pe­re mop
4 BE; spreek­taal goed, net­jes, zo­als het hoort
•iets pro­per re­ge­len, op­los­sen

vnw:

proper
proper (bn.)

•keurig, verzorgd, netjes, schoon
-iets proper houden: iets netjes houden
-iets proper maken: schoonmaken, poetsen
•niet schuin, ondubbelzinnig van moppen
•fair, correct, niet gemeen
-dat is niet proper: dat is niet correct, dat is gemeen

vgl. proper en opgekuist; proper zetten, iets ~

Voorbeelden

Zorg dat uw handen proper zijn voor ge aan tafel gaat.

"Den Bart met de Luc, dat zijn toch twee propere jongens, en zo altijd bij mekaar gebleven, is dat nu niet schoon?" (Bert Kruismans)

Hij heeft dan wel gene nagel om zijn gat te krabben (nagel, geen ~ voor aan zijn gat te krabben), maar proper op zijn eigen is em wel. (verzorgd)

Dat is niet proper, hetgeen ze hem daar gelapt hebben. (niet netjes)

Dat hebt ge proper opgelost. (goed, netjes)

Er ligt een propere handdoek klaar voor als ge gaat douchen. En vergeet geen proper onderbroek en proper kousen aan te doen.

Toegevoegd door aliekens - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 13 May 2025 Laatst bijgewerkt op 09 Feb 2026