ruigt

het/de ~, (o.v), zelfst. nw. geen meerv.
Definitie

Status:Onbekend

  1. afval, vuiligheid, bucht (in de Antwerpse kempen)

Woordenboek der Nederlandsche Taal: RUIGTE: uitschot, bocht van iets: "Ruigt van pataten", Cornelissen-Vervliet

2.uitschot, nog erger dan soort, schorremorrie, krapuul (in Antwerpen)

Woordenboek der Nederlandsche Taal: RUIGTE:
Allerlei slecht en gemeen volk, gespuis, kanalje, rapalje en derg. In deze betekenis meestal in den vorm ruigt, onzijdig.
In Zuid-Nederland in toepassing op kinderen die kattekwaad uitvoeren. vb. Jaagt die ruigt (kinderen) van de deur, Cornelissen-Vervliet (1899)

uitspraak: korte /ui/, geen tweeklank

Voorbeelden
  1. Ge moogt uw nagels eens proper maken, er zit ruigt onder en op.
    Dat ruigt van pekes smijt dat maar op de mesthoop.

  2. Dat ruigt heeft weer heel de boel kort en klein geslagen.
    Naar die coté van’t stad moet ge niet gaan, dat is daar allemaal ruigt.

Toegevoegd door de Bon - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 10 Feb 2026