Definitie

Status:Onbekend

treuzelen, zich bezig houden met futiliteiten

Woordenboek der Nederlandsche Taal: Slap heen en weer gaan, wiebelen, beven, wiggelen, schudden, trillen; ook figuurlijk. In Vlaanderen.
? Vandaar: zich waggelend voortbewegen; ook: zonder haast loopen, drentelen.
Naar huis lutsen, Schuermans (1865-1870).
De boer bond het zwijn bij den achterpoot en 't beest kwam traag zwadderend naar buiten gelutst en 't stak den snuit omhoog en snorkte, Stijn Streuvels, Minnehandel (1903).

Voorbeelden

Hou op met lutsen, we moeten vertrekken.

zie andere betekenis van lutsen

Toegevoegd door hamamelis - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 13 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025