Definitie

Status:Onbekend

  1. vlinder; zie: vijffouter

  2. ikke; zie ook bibi

  3. vrijers en lieven

Voorbeelden
  1. In september met dat goei weer hebben we nog een paar wiewouterkes gezien; nakomelingskes.

  2. Wie kon daarvoor weer opdraaien? Wiewouter. Mondeeke, mondeeke had de boter gefret (boter, de ~ gefret hebben).

  3. Na schooltijd al die wiewouters aan de voordeur, dat moet maar eens gedaan zijn. Blijft in het park hangen.

Toegevoegd door haloewie - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 20 Nov 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025