Definitie

hurken

ook zich hukken, zijn eigen hukken
vgl hukken, op zijn ~ zitten,
hukken, door zijn ~ gaan

MNW: hucken: Hurken, nederhurken, op de hurken of hukken gaan zitten.

  • Niet te betrouwen dat al huckende pist, Goedthals 14, Brabant, 1568

[wnt]: hukken: Eene ineengedrongen houding aannemen door de knieën te buigen

veelal met de bijgedachte van zich schuil te houden, wegkruipen.

  • Hukkende in de struiken Dacht hy de naadrende, als het hoen den wouw te ontduiken, Staring (1836).

Ook met de bijgedachte aan eene neiging of een langen duur: (gehurkt) blijven zitten, plakken, vooral in herbergen. In de Zuid-Nederlandse spreektaal.

Van Dale online: gewestelijk: huiken

zie andere definitie van hukken

Voorbeelden

Ze kan niet meer hukken met dat verschot in hare rug.

  • Wie hukt er zijn eigen tegenwoordig nu nog voor 10 cent op te rapen?
  • Ikke!
  • Ikke ook!

In Oosterse landen is hukken een populaire zithouding.

Als ge in een bos aan het wandelen zijt en ge moet kakken, dan moet ge hukken, anders komt dat niet goed.

Toegevoegd door Georges Grootjans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 30 Nov 2024 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025