Terug naar vorige pagina

getwee, gedrie, gevier, gevijf, gezes, …

telw.
Definitie

Status:Onbekend

tweeën, drieën, vieren, ...
zie ook: getweeën, gedrieën, gevieren, gevijven, ...

bv. ons getwee, hun getwee, zijn getwee
ook verkleinwoorden mogelijk: ons getweekes, hun gedriekes, ...

Voorbeelden

Wij met ons getwee tegen hun gedrie, dat moeten we kunnen winnen.

Ze waren met hun gevier aan het kaarten toen Gerda van de Jean ineens binnenkwam.

Als we nu eens met ons getweekes, gij en ik, een weekendje naar de Ardennen gaan?

Toegevoegd door Georges Grootjans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 16 Nov 2023 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025