Definitie

getweeën, gedrieën, gevieren, gevijven, gezessen, gezevenen, geachten, genegenen, getienen, geëlven, getwaalven, ...:
tweeën, drieën, vieren, vijven, zessen, ...

Middelnederlands Woordenboek: GE~
gebruikt ter vorming van telwoorden; het vertoont daarin nog zeer duidelijk de oorspronkelijke collectieve kracht. Uit het Middelnederlands zijn zulke met ge samengestelde telwoorden tot heden niet opgeteekend. Doch daar zij nog heden niet alleen voorkomen in sommige Nederlandsche dialecten (waarin getweeën, gedrieën, gevieren niet geheel onbekend zijn), maar in Zuid-Nederland zelfs zeer gebruikelijk zijn (De Bo heeft gedertigen, dertig te zamen; gedrie'n; genegenen; getienen (huns getienen, met hun tienen); getwaalven; getwee'n; getwintig(en); gevieren, gevijftigen, gevijven, gezessen, gezestienen, gezestigen, gezevenen; ook gevelen, velen te zamen), zoo moeten zij ook in 't Middelnederlands aanwezig geweest zijn. Vergelijk Middelhoogduits gezwei. In den tijd van Kiliaan, die er geen opgeeft, schijnen zij niet meer te zijn voorgekomen; hoogstwaarschijnlijk zijn zij steeds tot de dialecten beperkt gebleven en niet in de algemeene taal opgenomen.

Van Dale 2013 online: Belgisch-Nederlands, niet algemeen

zie ook: [getwee, gedrie, gevier, gevijf, gezes, ...]
vergelijk getweeëte

Voorbeelden

Een quizploegske met ons getweeën kan het wel halen van een ploeg met hun gedrieën. Tenminste als gij de antwoorden kent die ik niet ken ;)

Hij alleen met Lesley-Ann Poppe onder hun gedrieën op een verlaten eiland, dat is de Jean zijn natte droom.

Met Kerstmis hebben we altijd met ons gezessen een gezellig feest.

Toegevoegd door Georges Grootjans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 08 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025