lutsen ww., lutste, gelutst
treuzelen, zich bezig houden met futiliteiten
Woordenboek der Nederlandsche Taal: Slap heen en weer gaan, wiebelen, beven, wiggelen, schudden, trillen; ook figuurlijk....
treuzelen, zich bezig houden met futiliteiten
Woordenboek der Nederlandsche Taal: Slap heen en weer gaan, wiebelen, beven, wiggelen, schudden, trillen; ook figuurlijk....
lichtjes schudden
Woordenboek der Nederlandsche Taal: lutsen: Doen wiebelen, wiggelen, schudden.
Trachten iets te weten te komen.
Woordenboek der Nederlandsche Taal: lutsen
? Figuurlijk. Bedektelijk over iets spreken, een zaak aanroeren. In 't...