klappen ww. klapte, geklapt
praten, spreken
vnw: praten, kletsen, babbelen
vergelijk met achterklap: klappei
zie ook: klap, beklappen, goe klappen, klappen, schoon ~ hebben, kallen, overklappen
praten, spreken
vnw: praten, kletsen, babbelen
vergelijk met achterklap: klappei
zie ook: klap, beklappen, goe klappen, klappen, schoon ~ hebben, kallen, overklappen
onderhandelen, gesprekken voeren, bespreken
aan het klappen zijn/gaan klappen: gesprekken of onderhandelingen voeren
zie ook beklappen