Dit artikel werd nog niet redactioneel bewerkt en daarom kan de kwaliteit ontoereikend zijn.
Definitie
Status:Onbekend
- sabbelen, aan iets zuigen
zie ook zabberstok - kwijlen (speeksel dat uit mond loopt)
- zeveren, zagen, melken
zie ook zabberaar, zabbertrien - Hageland en de Kempen: (mot)regenen, zie ook zeveren
vnw: sabbelen, likken, zuigen, lurken
vgl. zabber; afzabberen; opzabberen; leegzabberen
Voorbeelden
-
Hij zit weer aan zijne lekstok te zabberen.
-
Als ge oud wordt, dat is gelijk een baby zijn bavet: met een zakdoek rondlopen om het zabberen tegen te gaan.
-
zeg, zabbertrien, komt ge weer zabberen, ik ben de klaagmuur niet hè.
-
Het heeft weer den hielen dag gezabberd.
Dat zabbert al een hele dag, kan de zon nu eens niet schijnen?
Toegevoegd door enigma - VL-WBK 1.0
Gepubliceerd op 11 Oct 2025 Laatst bijgewerkt op 10 Feb 2026