zabberen

ww. zabberde, gezabberd
Definitie

Status:Onbekend

  1. sabbelen, aan iets zuigen
    zie ook zabberstok
  2. kwijlen (speeksel dat uit mond loopt)
  3. zeveren, zagen, melken
    zie ook zabberaar, zabbertrien
  4. Hageland en de Kempen: (mot)regenen, zie ook zeveren

vnw: sabbelen, likken, zuigen, lurken

vgl. zabber; afzabberen; opzabberen; leegzabberen

Voorbeelden
  1. Hij zit weer aan zijne lekstok te zabberen.

  2. Als ge oud wordt, dat is gelijk een baby zijn bavet: met een zakdoek rondlopen om het zabberen tegen te gaan.

  3. zeg, zabbertrien, komt ge weer zabberen, ik ben de klaagmuur niet hè.

  4. Het heeft weer den hielen dag gezabberd.
    Dat zabbert al een hele dag, kan de zon nu eens niet schijnen?

Toegevoegd door enigma - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Oct 2025 Laatst bijgewerkt op 10 Feb 2026