Definitie

1 schoen (enkelvoud)
2 schoenen (meervoud)
3 schoon, mooi (bnw.)

Voorbeelden

Miene vrundj leep mit twiea versjèllende sjoon. Doa zag ich teange höäm: 'kiek es noa ongere!' Hae keek en zag: 'Sjoon sjoon wah, thoes höb ich nog zon paar'.

Mijn vriend liep met twee verschillende schoenen. Toen zei ik tegen hem: kijk ik eens naar beneden! Hij keek en zei: 'mooie schoenen hé, thuis heb ik nog zo'n paar.

(richtig plaatsjgevonge / echt gebeurd)

Toegevoegd door LeGrognard - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 09 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025