Definitie

haan, in kindertaal

< koekeloeren + haan

Woordenboek der Nederlandsche Taal: Koekeloerenhaan:

  1. benaming voor den haan, vooral in kindertaal.
  2. Nabootsing van het hanengekraai. In zuidndl. kindertaal.
    Vandaar: koekeloerenhanen, kraaien als een haan (De Bo 1873)
Voorbeelden

"Den Koeckeloeren-Haen zagh op zijn mist-hoop treden Een rooden Kalikoet", Vondel (1617)

De koekeloerenhaan heeft mij deze nacht om 3 uur wakker gekukelekuud.

Toegevoegd door de Bon - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025