amigo

den ~, -s, man. zst. nw.
Definitie

Status:Onbekend

Voorbeelden

Ik kruip in mijnen amigo - Ik kruip in mijn bed.
Zet den TV maar af, 't is tijd veur ulderen amigo -
Zet de TV maar af, het is bedtijd.

Toegevoegd door moomer - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025