haafkoopdag

de ~, ~ en, m znw
Definitie

Status:Onbekend

openbare verkoop, meestal bij opbod, van alaam, meubels en andere inboedel

< haaf of have: Middelnederlands have. Van denzelfden stam als hebben. Datgene wat iemand heeft, bezit. (Woordenboek der Nederlandsche Taal)
"In geen geval (kon) de gezamenlijke verkooping zijner have meer dan het beloop zijner schulden opbrengen" Conscience (ed. 1867).

Voorbeelden

Ik heb op de haafkoopdag een paar oude landbouwwerktuigen kunnen kopen.

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 24 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025