Dit artikel werd nog niet redactioneel bewerkt en daarom kan de kwaliteit ontoereikend zijn.
Definitie
Status:Onbekend
- stucwerk doen, stuken, plaasteren, beplaasteren
- kleven, plakken
- bevlekken
- in bepaalde stukken verdelen
- kleverig zijn
Woordenboek der Nederlandsche Taal:
- Met pleister of leem besmeren.
- Met een kleefstof aan of op iets bevestigen, vastkleven, plakken.
- Plekken of vlekken maken of krijgen, besmeuren. Daarnaast ook Plakken.
- Van grond. In plekken verdeelen, in bepaalde stukken deelen. Verouderd. (in de Kempen nog in gebruik)
- Kleven, kleverig zijn. [Gewestelijk], b.v. in het Haspengouw, Kempen
Voorbeelden
-
De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.
"Met calck plecken", Plantijn (1573). -
Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.
"Tegen den wandt plecken", Plantijn (1573) -
Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.
"Muren plekken als zij vochtig worden", De Bo (1873) -
Het kerkhof is in verschillende plekken verdeeld. Elke overledene heeft zijn eigen plek.
-
Pas op! De sjambrangs zijn pas geschilderd, De verf plekt nog.
Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0
Gepubliceerd op 23 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025