plekken

ww., plekte, geplekt
Definitie

Status:Onbekend

  1. stucwerk doen, stuken, plaasteren, beplaasteren
  2. kleven, plakken
  3. bevlekken
  4. in bepaalde stukken verdelen
  5. kleverig zijn

Woordenboek der Nederlandsche Taal:

  1. Met pleister of leem besmeren.
  2. Met een kleefstof aan of op iets bevestigen, vastkleven, plakken.
  3. Plekken of vlekken maken of krijgen, besmeuren. Daarnaast ook Plakken.
  4. Van grond. In plekken verdeelen, in bepaalde stukken deelen. Verouderd. (in de Kempen nog in gebruik)
  5. Kleven, kleverig zijn. [Gewestelijk], b.v. in het Haspengouw, Kempen
Voorbeelden
  1. De man van mijn vriendin heeft de gang met plaaster geplekt.
    "Met calck plecken", Plantijn (1573).

  2. Moeders kunnen hun kinderen soms achter het behang plekken.
    Er hangt zoveel gelei aan de pot dat het aan mijn vingers blijft plekken.
    "Tegen den wandt plecken", Plantijn (1573)

  3. Ge hebt mijn T-shirt helemaal onder geplekt met verfspatten.
    "Muren plekken als zij vochtig worden", De Bo (1873)

  4. Het kerkhof is in verschillende plekken verdeeld. Elke overledene heeft zijn eigen plek.

  5. Pas op! De sjambrangs zijn pas geschilderd, De verf plekt nog.

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 23 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025