Definitie

immers, toch, namelijk, trouwens, wel

< ommers

Hageland: ummes
Maasland: ummesj

Voorbeelden

Ik zeg dat het zwart is. Maar hij zei het oemmes ook.

Dat kan oemmes geen kwaad, [zo'n] beetje plagen.

Maar ik heb hem dat oemmes uitgelegd!

Toegevoegd door Frank - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 28 Aug 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025