Definitie

Status:Onbekend

In gans Vlaanderen (en daarbuiten) worden de bezitsvormen van de persoonlijke voornaamwoorden verbogen naargelang het geslacht van het zelfstandig naamwoord: mannelijk, vrouwelijk of onzijdig. De vrouwelijke vorm is steeds de standaardvorm waarop de mannelijke en onzijdige vormen zich baseren. De meervoudsvorm volgt steeds de standaardvorm. Bijvoorbeeld:

  • mijne vent ('ne(n)' = mannelijke uitgang)
  • mijn vrou ('n' = vrouwelijke uitgang = standaardvorm)
  • mij kind (Ø = onzijdige uitgang: de eind-n, indien aanwezig in de standaardvorm, wordt verwijderd)
  • mijn ouders ('n' = meervoudsuitgang = vrouwelijke uitgang)

In West- en Oost-Vlaanderen wordt de bezitsvorm van de tweede persoon enkelvoud (standaardvorm: ou/jou/u) bij mannelijke naamwoorden niet verbogen met het achtervoegsel 'e(n)', maar wel met 'ne(n)'. Bijvoorbeeld:

  • oune lepel (O-Vl) - ou(w)e lepel (Antw - merk op dat de 'w' slechts een weergave is van de aaneenrijging van twee opeenvolgende klinkers, ze behoort noch tot het grondwoord noch tot de buigingsuitgang)
  • jounen otto (W-Vl) - ou(w)en otto (Vl-Br - idem)
  • ...

In West-Vlaanderen gaat dit, naarmate men verder naar het westen gaat, ook op voor o.m. de eerste persoon meervoud (standaardvorm: uus/ons):

  • uusne lepel (W-Vl) - onze lepel (O-Vl)
  • oensnen otto (W-Vl) - onzen otto (O-Vl)
  • ...

Of de tweede persoon meervoud (standaardvorm: ulder/julder). Bijvoorbeeld:

  • junderne lepel (W-Vl) - uldere lepel (O-Vl)
  • juldernen otto (W-Vl) - ulderen otto (W-Vl)
  • ...

Enz.

Voorbeelden

Toegevoegd door nthn - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 03 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025