gibberen

ww., gibberde, gegeibberd
Definitie

giechelen, lachen

Woordenboek der Nederlandsche Taal ([wnt]): Giechelen
Van dezelfde basis als gijbelen, giebelen en gibbelen.
[Gewestelijk] in Vl.-België. schuerm. (1865-1870).

  • Ze zagen er een verdachte toespeling in op de meisjes, omdat een paar jonge blaren aan 't gibberen gingen, Claes, De Witte (1920).
  • Op die achterste banken werd er altijd gewesterd (westeren) en gegibberd door eenige jonge mannen, Claes, Fanf. (1924).

zie ook gegibber, gibber, gibberzjat

Voorbeelden

Het kindje gibberde van plezier toen oom gekke bekken trok.

Toegevoegd door koetjing - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 10 Jun 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025