Definitie
  1. kloppen, slagen
  2. ijverig en met drukte bezig zijn, rumoer maken
    syn: boezelen

zie ook boesjen, boeshamer

Van Dale online: niet al­ge­meen: klop­pen, slaan
Etymologie: boezen: kloppen, slaan, met bedrijvige drukte bezig zijn (J. Vercoullie 1925)
Woordenboek der Nederlandsche Taal: Boezen: Thans nog slechts hier en daar bekend; in Vlaanderen hetzij in 't algemeen: kloppen, slaan

  • ”Wie boest daar”, Schuermans 1865-1870
Voorbeelden
  1. Hij werd kwaad en boesde hevig op tafel om zijn woorden kracht bij te zetten.
    De hevige rukwind heeft de deur wild dicht geboesd.

  2. Laat ze maar even gerust, ze is aan 't boezen op de zolder. Ze wil dat het tegen van den avond op orde staat.

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 24 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025