Definitie

de dupe, de sigaar zijn;
uitspraak in Antwerpen: bef, met doffe e (of zoals boeuf in het Frans)

< BEF, z. v. Ingebeeld viervoetig dier of vogel, voorkomend in de 'bef jagen', wat in de baronie van Breda piktoren vangen heet en bij De Bo schavuiten vangen. De bef jagen bestaat hierin : Men maakt eenen snul wijs dat er, in een afgelegen veld, een vreemd dier of vreemden vogel te vangen is, Bef genaamd. Een pikdonkeren avond trekt men naar dat veld; daar wordt een groot vuur aangelegd, dat de Zebedeus wel moet aan den gang houden, terwijl de gezellen het dier zullen naar de knappende vlammen jagen. Doch zij poetsen allen de plaat, het vuur gaat eindelijk uit en de sukkelaar zit in den donker, soms in een hem onbekend veld.
Vandaar: de bef zijn, être la dupe de l'histoire. Het Italiaans beffare, 't Oudfrans beffer, nieuw Frans bafouer.
Ons oud 'beffen' is bespotten, foppen. (Bijdrage tot een Haspengouwsch Idioticon, A. Rutten (1890))

zie ook bef, den ~ jagen

Voorbeelden

Met al da zijn ik toch den beuf van d' histore!

Toegevoegd door de Bon - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 27 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025