uitdoen

ww. deed uit, heeft uitgedaan
Definitie

Status:Onbekend

in verschillende betekenissen:

  1. rooien (aardappelen uitdoen)
    vnw: rooien: uit de grond halen: aardappelen uitdoen

Typisch Vlaams: rooien: Geen Algemeen Nederlands; De combinatie 'uit doen' wordt ook aaneengeschreven.

(Van Dale 2013 online: Belgisch-Nederlands, spreektaal)

  1. afmaken (het jaar niet uitdoen)
    (Van Dale 2013 online:Belgisch-Nederlands, algemeen)

  2. doorhalen, schrappen (een naam op een lijst uitdoen)

vnw: wegvegen, uitwissen

(Van Dale 2013 online: Belgisch-Nederlands, niet algemeen)

  1. zijn straf uitzitten; uitzitten; voltooien

vnw: tot het einde toe doorlopen, voltooien
-zijn straf uitdoen, zijn straf uitzitten
-zijn tijd uitdoen, zijn tijd uitdienen

(Van Dale 2013 online:Belgisch-Nederlands, algemeen)

Voorbeelden

Ik moet mijn jaar nog uitdoen, tenminste als ze mijne naam niet hebben uitgedaan in het register, maar eerst wil ik nu mijn aardappelen uitdoen.

De wet-Lejeune, die gewijzigd werd tijdens het proces van De Gelder, stelt dat wie tot 30 jaar of levenslang veroordeeld wordt, voortaan zeker minstens 15 jaar van zijn straf moet uitdoen in plaats van 10 jaar.

Toegevoegd door petrik - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 02 Nov 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025