Definitie

Status:Onbekend

rug

Woordenboek der Nederlandsche Taal: rik, znw. m., mv. rikken. Een in West-Vlaanderen (en ook elders b.v. op Walcheren en de Zuid-Hollandse eilanden gebruikelijke vorm van Rug. Middelnederlands ric.
"Ingevallen rik van een peerd" De Bo (1873)

Voorbeelden

Wil je een keer aan m'n rik scharten,'t jukt.
(Wil je eens op mijn rug krabben, het jeukt.)

Toegevoegd door dsa - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 30 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025