Definitie

zakgeld

vnw: zakgeld

zie ook zondag

Van Dale: zelfstandig naamwoord • de v/m • g.mv.
< 1791 < Frans prêt (le­ning, sol­dij)
BE; spreek­taal
4. zak­geld

Voorbeelden

Karel krijgt al 2 euro pree per week.

"Ik geef mijnen zoon alle Zondagen een frank voor zijne pree" Rutten (1890) (Woordenboek der Nederlandsche Taal)

Toegevoegd door aliekens - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 21 Dec 2024 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025