Definitie

Status:Onbekend

o.a. bij Streuvels gelezen werkwoordsvorm van "maken"

ik, hij, zij miek - gij miekt
wij, gelle, zij, zun mieken;
v.d.: gemaakt

Voorbeelden

Het miek haar misnoegd, zij was nijdig en kwaad op het kind. (Stijn Streuvels: Het Kerstekind)
Het hageld', 't sneeuwde, het miek er zo koud, de rijm lag op de daken. (uit bekend kerstliedje: Maria die soude naer Bethlehem gaen)

Zwerte Fles heette die en wo ze gegaan had mieke wij overal kruiskens omdat de mense toch do nie zoude gaan. (volksverhalenbank.be, Leuven, 1964)

Toegevoegd door pieterhobma - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 10 Sep 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025