taalkamp

Zelfstandig naamwoord o., ~en
Definitie

Status:Standaard Belgisch-Nederlands

vakantie of kamp voor jongeren waarbij het accent ligt op het aanleren van een vreemde taal

Voorbeelden

Ook in juli nog editie van talenkamp Talen(t) aan Zee: “Taal oefenen op speelse manier”. (hln.be)

Het taalkamp startte in de lokalen van 't Blokje. “Tijdens de week krijgen anderstalige kinderen op een ontspannen manier Nederlandse les." (gva.be)

Taalkampen, zeilvakanties, avonturenreizen, daar komen kinderen en jongeren deze zaterdag op af in het cultureel centrum Casino in Koksijde. (demorgen.be)

Het initiatief komt van Mini-Ecole, een organisatie uit Roeselare die eerder al Franse taalkampen voor kinderen vanaf drie jaar aanbood. (standaard.be)

De Italiaanse ober, de surfleraar of die knappe klasgenoot op taalkamp: zomerliefdes laten warme – of op z'n minst blijvende – herinneringen na. (weekend.knack.be)

Bronnen & Referenties
Instituut voor de Nederlandse taal

in referentiebestand Belgisch-Nederlands

WoordPeiler (woordfrequenties Belgisch-Nederlands versus Nederlands-Nederlands)

geverifieerd 2026

Toegevoegd door Georges Grootjans

Gepubliceerd op 20 Jan 2026 Laatst bijgewerkt op 20 Jan 2026