flamofobie

znw. de ~ (v), geen mv.
Definitie

Status:Onbekend

ook: flamandofobie

  1. een ziekelijke angst voor of afkeer van de Vlaamse taal (doorgaans bij mensen wier moedertaal het Vlaams is)

  2. een ziekelijke angst voor of afkeer van Vlaanderen, Vlamingen, ...

afgeleiden: flamofoob, flamandofoob

Voorbeelden
  1. Als de Taalunie, een notoir hollandofiel en flamofoob instituut, een bepaald woord al als zodanig plat Hollands bestempelt dat ze het zelfs niet tot de ‘standaardtaal in Nederland’ (id est: plat Hollands) willen rekenen, en een Vlaamse commentator dat woord dan voor een Vlaamstalig publiek gebruikt zonder enige schroom, dan zou die commentator in een normale samenleving met het schaamrood op de kaken uit de media moeten weggehoond worden. (bibiken, hiere)

En wat zielig dat voor de twee routes in de Frans-Vlaamse Westhoek enkel gebouwen ‘flamand’ heten te zijn, maar niets te vinden is over het voortleven van de volkstaal. Toeval? Ach nee. Het gaat kennelijk om een ernstig geval van flamandofobie. (Frans-Vlaanderen: Aktualiteiten. via dbnl.org)

  1. Een flamofobe cynicus op Twitter maakt een allusie op de collaboratie en ontketent daarmee een storm van protest. (doorbraak.be)

U hoeft uw naam niet zo ostentatief naar het nederlands te vertalen ; hij is zo vlaams(brabants) als mogelijk ; u hebt geen ostentatieve nederlandse vertaling (zout ?) nodig via een franstalig fonetisch homoniem .Wellicht is het wat overtrokken om er een verwrongen vorm van flamandofobie in te zien die bij verfranste vlamingen al eens opstijgt uit al hun poriën? (lvb.net)

Toegevoegd door nthn - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 09 Jan 2022 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025