fontonten

de~, vr. zelfst. nw, altijd meerv.
Definitie

Status:Onbekend

nutteloze, irritante en vervelende dingen

ook fantonten,
zie ook tralala

< Frans fontage, een bepaald kapsel met linten en strikken, genoemd naar Mlle de Fontages, een maitresse van Lodewijk XIV, die het eens bij opstekende wind droeg. (A. Weijnen)

In het woordenboek van Cornelissen-Vervliet (1899-1906):
FONTONTEN, znw., v., mrv.
Overdreven versiersels, lintjes en strikjes. "As ik in oe' plaats was, ik dee' die fontonten van me' kleed."
Uitvindsels, beuzelarijen, leugens, belachelijke streken, onredelijke handelingen."Hij komt hier altijd mè' fontonten af."

Voorbeelden

Die vent heeft nogal nen hoop fontonten bij; nen dikke nek dat die heeft.
(Die man heeft nogal wat flauwe kul bij, hoogmoedig dat die is.)

Muttek tot daa kome?! Me die fontonte altaa...
(Moet ik tot daar komen? Met die flauwe kul altijd...)

Toegevoegd door sin - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 10 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025