Definitie

Status:Onbekend

ooglid
Van Dale 2018 niet algemeen

dialectwoordenboek: oogscheel , oogscheel , ooglid, zooveel als oogdeksel. Zie Scheel.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk

Woordenboek der Nederlandsche Taal onder "scheel" 2. Ooglid, lid (t.w. van het oog). Nog in zuidelijke dialecten.

Voorbeelden

"Ook voor de oogziekte trichiasis (het groeien van wimpers aan de binnenkant van het oogscheel) hadden ze al een oplossing." (HLN 01/09/18)

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 04 May 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025