Definitie

klep van een klak en rand van een hoed;
ook vooi, voie

Woordenboek der Nederlandsche Taal: Rand van een hoofddeksel; klep (van een pet), rand (van een hoed). Gewest. in Vl.-België.
"Vooi, de rand, boord, houvast of klep eener klak, Frans visière", Schuermans (1865-1870).
"Vooie. Klep van eene pet. Rand van eenen hoed. Wat naar den rand van eenen hoed gelijkt", Bal (1899).
"De vooi van den hoed is gewoonlijk eerst versleten deur 't pakken van de handen", Joos (1900-1904).
"De bleekersbaas … wandelde rond op hooge witte wulvekloefen … en 's winters 'en mutse met oorlappen, of 's zomers een zunnenhoed in strooi met 'en groote vooie, op z'n kop", Biekorf (1935).

zie ook voye van de hoed

Voorbeelden

"In onze streke, als men uitgaat om een peerd te koopen, men smijt zijn klakke omhooge, en alwaar de vooie wijst als zij gevallen is, aldaar moet men gaan om eenen goeden koop te doen." (uit: Rond den Heerd bij De Bo (c. 1866))

Toegevoegd door de Bon - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 25 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025