Dit artikel werd nog niet redactioneel bewerkt en daarom kan de kwaliteit ontoereikend zijn.
Definitie
Status:Onbekend
prietpraat
zie kullekefrut
Joos, A. (1900). Waasch Idioticon:
DASTER, z. nw., m. = Modder, drek of andere vuilnis. Hij heeft in eenen daster getrapt. -= Alle nattige dunne stof. Als de boter dun is, is het één daster. -= Schuld, plak. Iemand eenen daster aanzetten. -= Armen praat, rimram. Ik luister naar uwen daster niet. Ook deister.
vergelijk dei
Voorbeelden
Ge kunt van zijnen daster zo al niks geloven en dan had hem nog gedronken ook.
Toegevoegd door renel - VL-WBK 1.0
Gepubliceerd op 24 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025