Definitie

Status:Onbekend

uitgieten

WNT: Uitperren, uitparren, uitpeiren, uitpeuren, (Vlaanderen en Land van Waas) uitgieten, uitstorten, inz. m. betr. t. groenten en het water waarin ze gekookt zijn: afgieten.
De pataters uitpeuren, afgieten, Verz. Gezelle (Heule, voor 1899).
— Ze was bezig met het water uit te perren, daar ze de patatten in gekookt had, Loquela (1895).
Men zal pattatten uitparren, Joos (1900-1904).
Hij wou zijn pint niet drinken en peirde ze uit op den vloer, Joos.

Voorbeelden

Ga de rest van die soep maar uitparen in de gracht.

Toegevoegd door renel - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025