Definitie

Status:Onbekend

  1. huis, woonplaats, erf
  2. manier van doen, gedraging, gezichtsuitdrukking
  3. in goeie doeninge zijn
Voorbeelden
  • Emma en Jonas kochten na lang aarzelen, de doeninge wat verderop in de straat.
  • De boerderij is een schone doeninge.
  • Je zag aan papa zijn doeninge: Het was zeker zijn dagje niet vandaag. (Je zag het aan zijn gezicht, zijn manieren, zijn handelen dat het zijn dag niet was.)
  • Onze vroegere buren zijn in goeie doeninge, ze wonen nu in een grote villa.

Toegevoegd door hamamelis - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 27 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025