jonkheid

de ~, vrouw. zelfst. nw.
Definitie

Status:Onbekend

  1. jonkheid (de ~ (v.), geen meervoud
    jonge mensen als een groep beschouwd, jeugd, het jong zijn
    (Gans Vlaanderen)

vnw: rijpere jeugd

  1. jonkheid (de ~ (v.), jonkheden)
    mannelijke of vrouwelijke vrijgezel op leeftijd (Vlaamse Ardennen)
    jongeheer, een oudere ongehuwde man (ouderske jonkheid) (Leiestreek)

zie ook verzamellemma mensen

Voorbeelden
  1. Popmuziek is eerder iets voor de jonkheid.

Ik dacht het wordt tijd
da'k mijn wijsheid verspreid
voor 't algemeen profijt van de jonkheid
(liedjestekst Urbanus)

Tijdens zijn jonkheid heeft hij wel dwazigheden begaan.

  1. Onze buurman, de jonkheid, is ongehuwd en binnenkort viert hij zijn 50ste verjaardag.

Wie is die jonkheid daar? Oh, dat is tante Emma, de zuster van mijn moeder!

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 05 Feb 2023 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025