Definitie

een denkbeeldige schuchtere vogel met drie poten die heel snel kan zijn en meestal in de winter, als het sneeuwt, tevoorschijn komt

zie ook schavakken vangen

Woordenboek der Nederlandsche Taal: schavak > schavuit: nachtuil

Voorbeelden

"Ik heb schavakken bij me bij
en 'k leur der mee,
ik heb er ne reutepeuter
in m'n bovenzakje.
Ik heb er ne floe, floe, floe
af en toe, toe, toe
en ne slusterbubbel
in mijn kazakje!"

andere betekenis van schavak

Toegevoegd door sanderbelmans - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025