Dit artikel werd nog niet redactioneel bewerkt en daarom kan de kwaliteit ontoereikend zijn.
Definitie
Status:Onbekend
- zwenken, draaien, buigen
- door wankelen omvallen, kwikken, kwikkelen
- manier van gaan, zie ook zwik, met een ~ gaan
Woordenboek der Nederlandsche Taal: zwikken: Nog gewestelijk, in Vlaams-België.
- Draaien, buigen, op en neer bewegen
- Door hevige schuddende bewegingen omslaan.
- Van menschen en dieren: zich met onzekeren, ongecontroleerden, slingerenden, schommelenden, struikelenden gang voortbewegen; wankelen, waggelen.
De koe zwiekt al gaan, Teirlinck 1922.
Voorbeelden
-
Soms ziet ge op een opligger van een vrachtwagen met het opschrift: 'pas op, zwenkt uit'. Wij zeggen: 'pas op, zwikt uit'.
-
De plant die ik gekocht had en in mijn wagen langs de passagierskant op de mat had gezet, zwikte toen ik de bocht moest nemen. Al het zand op de mat natuurlijk.
-
Wat heeft die gast gedronken, die zwikt zo?
De boodschappentassen wegen te zwaar voor haar want ze zwikt van links naar rechts.
Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0
Gepubliceerd op 11 Aug 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025