Definitie

Status:Onbekend

overweg (van traverser?)

Woordenboek der Nederlandsche Taal bij Traverse, Travers:
D. Kruising, doorsnijding, doorgang.
10. Mogelijk plaatselijke benaming voor een spoorwegovergang.
Broeckaert, Bastaardwdb. (1895)
Koenen (1897)
— De koeibeesten …, die … al over den ”traveer” … de stad in en door mosten, De Wolf, in Biekorf (1933).

Voorbeelden

De(n) traveir (of travèr) was al toe en die snotneus probeerde nog om met zijn fiets door te rijden

uitinvlaanderen.be: Voor ons 20-jarig jubileum van jeugdhuis Den Traveir organiseren we een feestweekend met onder ander een rockavond op vrijdag 8 mei, een volksspelletjesmiddag, een playbackshow en een fuif op zaterdag 9 mei en een tentoonstelling, een receptie en een kaarting op zondag 10 mei!

Toegevoegd door Kastanjeoog - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 17 Jul 2025 Laatst bijgewerkt op 10 Feb 2026