Definitie

uitschot

zie krapuul

vnw: gespuis, uitschot

Van Dale crapuul
zelfstandig naamwoord; het
(1832 ‘zwelgerij’) ontleend aan Frans crapule
1.(meervoud: g.mv.)
gepeupel, gespuis
2.(meervoud: crapulen, crapuuls)
(Belgisch-Nederlands) schoft, smeerlap

Typisch Vlaams: Belgisch-Nederlandse Standaardtaal; Gangbaarheid: 4; Vlaamsheid: 3

vgl. crapulleke

Voorbeelden

Zaterdag was het weer crapuulekesnacht.

" ... dat noemen ze zo, als iemand bijna dood geklopt wordt, waarom mag men daar in de firma niet over praten? Bescherming van de crapullen? (happymama.be)

Dat crapuuleke van het straat heeft weer geparkeerde auto’s beschadigd deze nacht.

Stuk crapuul dat gij zijt! Kapt (kappen) uw vuiligheid in uwen eigen hof!

"Dat was wat crapuul bij elkaar. Zij hitsen elkaar op om amok te maken in de stad." (vrt.be)

'Het was crapuul, die leerling, ik kan het niet anders zeggen. Maar plots draaide hij helemaal bij'. (demorgen.be)

Toegevoegd door fansy - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 03 Dec 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025