zotteke

het ~, ~s, onz. zelfst. nw.
Definitie
  1. iemand die zich roekeloos en onverantwoord gedraagt
  2. dwaas, onberekenbaar
  3. pleziermaker

zie ook zotteke als aanspreking, dwazerik

vgl. zotteke, het ~ uithangen

Voorbeelden

"Recente controles op de gewestweg toonden aan dat tachtig procent van de wagens er een aanvaardbare snelheid ontwikkelden. Het weekend toont echter andere cijfers. Blijkbaar zijn er dan meer zottekes op de weg."(HNB 040702)

"Alé zotteke: Hey dwaas" (woordenlijst Vlaams- AN voor bodybuilders op http://forum.dutchbodybuilding.com)

Verheyen over (voetballer) Blondel: "Hij was een zotteke en dat is niet negatief bedoeld" ([Titel]) " (…) Joe was een beetje een zotteke en dat is niet negatief bedoeld. Met hem kon je naar de oorlog trekken." (Voetbalprimeur 130114)

"Het zotteke uithangen is het liefste wat ik doe" (Jacques Vermeire in HNB 110213)

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 01 Aug 2022 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025